Armoedebeleid in de gemeente Barneveld

Samenvatting

Wat voor armoedebeleid draagt het meeste bij aan de doelen van de gemeente Barneveld? Om deze vraag te beantwoorden heeft het Instituut voor Publieke Economie het armoedebeleid van de gemeente Barneveld en de doelen van dit beleid in kaart gebracht.

Huidig beleid

Om te beginnen hebben we het armoedebeleid van Barneveld vergeleken met 24 andere gemeenten in ons dashboard. Hieruit blijkt dat Barneveld een relatief ruimhartig armoedebeleid voert voor de laagste inkomens, vooral door de ruime sport- en cultuurregeling. Daarnaast onderscheidt Barneveld zich door de geleidelijke afbouw van de Individuele Inkomenstoeslag en doordat de zwemdiplomaregeling ook toegankelijk is voor volwassenen. Wel bouwt de hulp relatief snel af. Vanaf ongeveer 110% van het sociaal minimum eindigen veel gemeentelijke regelingen en blijven vooral informele voorzieningen over. Boven 130% is er in Barneveld geen recht meer op de regelingen.

Doelen

Vervolgens hebben we met de gemeente afgesproken het beleid te toetsen aan de volgende vijf doelen:

1. Meer inwoners begrijpen de regelingen, weten waar zij recht op hebben en vertrouwen dat de gemeente naast hen staat.

2. Meer inwoners hebben zekerheid dat zij kunnen rond komen en dat hun kinderen niet opgroeien in armoede.

3. Meer inwoners werken naar vermogen of participeren op een andere manier.

4. Meer inwoners kunnen zwemmen en meedoen aan gezamenlijke activiteiten.

5. Geld voor armoedebeleid wordt zo kosteneffectief mogelijk ingezet.

Beleidsrichtingen

Op basis van de gemeentelijke doelen en ons eerdere rapport “Eerlijker en eenvoudiger armoedebeleid” zijn drie beleidsrichtingen ontwikkeld. De effecten van de richtingen op de doelen zijn in beeld gebracht. Elke richting draagt anders bij aan de verschillende doelen, waarbij de exacte bijdrage ook afhangt van de mate waarin regelingen ruim of strikt worden vormgegeven.

Richting 1: Directe verbeterkansen

Deze richting richt zich op concrete verbeteringen binnen de huidige inrichting van het armoedebeleid. Hiermee kan vooral de zekerheid worden vergroot, maar er zijn ook mogelijkheden om vertrouwen en meedoen te vergroten. Binnen de bestaande regelingen kan het aantal mensen dat werkt worden vergroot door de inkomensgrenzen te verhogen. De meeste opties binnen deze beleidsrichting verhogen wel de kosten.

Richting 2: Meer keuzevrijheid

In deze richting worden regelingen samengevoegd tot een vrij besteedbaar budget. Dit kan vertrouwen en zekerheid versterken doordat inwoners meer ruimte krijgen om hun uitgaven af te stemmen op hun behoeften. Tegelijk wordt de sturing op specifieke vormen van meedoen beperkter. Door de zwemdiplomaregeling apart te behouden blijft sturing op zwemvaardigheid mogelijk. De kosten nemen per saldo toe: de extra kosten van meer gebruik worden slechts deels gecompenseerd door lagere uitvoeringskosten.

Richting 3: Volledig maatwerk

Deze richting volgt het voorbeeld van het Maatschappelijk Meedoen Budget in Wageningen. In een persoonlijk gesprek wordt het verschil tussen het inkomen van een huishouden en een normbedrag bepaald en maandelijks uitgekeerd. Deze aanpak biedt maatwerk en kan het vertrouwen versterken doordat wordt aangesloten bij de situatie van inwoners. Maar persoonlijke gesprekken kunnen ook een drempel vormen en tot niet-gebruik leiden. Per saldo is het effect op vertrouwen naar verwachting positief. De sturing op meedoen aan specifieke activiteiten is beperkter omdat het budget vrij besteedbaar is. Het maatwerk kan kosten verlagen, maar de hoge uitvoeringskosten hebben waarschijnlijk een groter effect. Onder de streep zijn de kosten van deze aanpak naar verwachting dus hoger.

Vorige
Vorige

DARPA-model kopiëren is knap lastig

Volgende
Volgende

Merel van Rooy in de Volkskrant