DARPA-model kopiëren is knap lastig
Het kabinet-Jetten wil naar voorbeeld van het Amerikaanse Darpa een Nederlandse defensie-ARPA oprichten (Coalitieakkoord, 2026). Het succesvol implementeren van het Darpa-model in de Nederlandse context is echter knap lastig.
Darpa is het agentschap van het Amerikaanse Ministerie van Defensie dat verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van opkomende technologieën voor militair gebruik en kreeg een bijna mythische status door zijn betrokkenheid bij de ontwikkeling van het internet, GPS en vele andere sleuteltechnologieën. Door dit succes werd het ‘ARPA-model’ geëxporteerd naar andere beleidsterreinen in de Verenigde Staten, zoals Energie (ARPA-E) en Gezondheidszorg (ARPA-H) en naar defensie buiten de Verenigde Staten. Duitsland startte in 2019 met Sprin-D en het Verenigd Koninkrijk in 2023 met ARIA.
Afgezet tegen buitenlandse ARPA-organisaties gaat het bij de nieuwe Nederlandse defensie-ARPA om veel geld. Het kabinet wil op termijn zo’n vier miljard euro per jaar besteden aan defensie-innovatie. Dit is 32 keer zoveel als de 125 miljoen per jaar die het kabinet voor het andere initiatief, het Nederlands Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), in gedachten heeft. Ter vergelijking: het budget van het originele, Amerikaanse DARPA is ook zo’n vier miljard euro. De Duitse en Engelse kopieën zijn met jaarlijkse budgetten van rond de 200 miljoen euro een factor of twintig kleiner, terwijl die landen veel groter zijn dan Nederland.
In een eerste Kamerbrief hint defensie erop dat het geld deels zal worden gebruikt voor de inkoop van materiaal (‘opschalen van toepassingen’) (Tweede Kamer, 2026). Wellicht weinig verrassend, want als defensie al dit geld aan R&D zou besteden, dan wordt defensie de grootste speler in de Nederlandse publieke R&D. De directe R&D-uitgaven van de overheid bedroegen in 2024 9,7 miljard euro, waarvan zo’n 4 miljard via de universiteiten loopt (data: Rathenau Instituut).
Zeker bij die grootte is het belangrijk om goed te kijken naar hoe deze middelen besteed worden. Een eerste aandachtspunt is de anarchistische werkvorm van ARPA; kan defensie die inpassen in haar hiërarchische organisatie? ARPA-organisaties geven inhoudelijke programmamanagers veel autonomie bij het initiëren en stopzetten van projecten die derden uitvoeren. De organisatie heeft zelf op haar beurt veel vrijheid om te bepalen waar ze programmamanagers op inzet en kan daardoor flexibel inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Dit model is fundamenteel anders dan dat van bestaande overheidsinstrumenten zoals de onderzoeksbeurzen van NWO of de initiatieven van het Nationale Groeifonds, waar de nadruk eerder ligt op consensusvorming.
Een tweede aandachtspunt is de kleine omvang van de Nederlandse markt. Kan defensie in Nederland programmamanagers van voldoende kwaliteit vinden? Zijn hier voldoende toponderzoekers om het werk uit te voeren? Het Nederlandse innovatie-ecosysteem is niet alleen kleiner, maar ook evident minder hoogwaardig dan dat van de Verenigde Staten. Een oplossing kan erin liggen om de defensie-ARPA op Europese schaal te laten acteren. Sprin-D is bijvoorbeeld ook in heel Europa actief. Verbreden naar technologie buiten de defensiesector ligt gezien het enorme budget ook voor de hand, maar het model is buiten defensie minder bewezen en dit interfereert mogelijk met NADI.
Een laatste aandachtspunt is dat het verstandig is om de tijd te nemen om te experimenteren en te leren. Beter een DARPA-kopie die op korte termijn wat van dat enorme budget op de plank laat liggen en op lange termijn succesvol is, dan andersom. De geschiedenis van het Nationaal Groeifonds leert dat innovatiemiddelen ook zomaar weer kunnen verdwijnen.
Literatuur
Coalitieakkoord (2026) Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030. Te vinden op www.kabinetsformatie2025.nl
Tweede Kamer (2026) Stand van Zaken Defensie Innovatie: Opschaling Autoriteit. Brief regering, 27830, nr. 178.

